Posts tonen met het label De Mars. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De Mars. Alle posts tonen

zondag 29 maart 2015

De Mars, maandblad van en voor Overijssel (19): maart 1967

De Mars was een Overijssels maandblad dat tussen 1953 en 1981 verscheen en waaraan veel bekende journalisten/publicisten uit die tijd meewerkten. De Mars bevatte artikelen over regionale onderwerpen op cultureel, maatschappelijk, economisch en toeristisch terrein. De vaak lange(re) artikelen geven een goed tijdsbeeld. Deze maand precies 48 jaar geleden verscheen het maart-nummer 1967.

Foto: Vegetatieve samenleving in de Noordoostpolder (Ger Dekkers)

In het maart-nummer van 1967 een lang artikel over de bedrijfssluitingen en de gevolgen voor de werkgelegenheid. Door de sluiting van een aantal grote bedrijven in 1965/1966 in Deventer verloren bijna 1500 werknemers hun baan. Een jaar later hadden slechts 90 personen nog geen passend werk gevonden. Wie het lange verhaal leest ziet dat in die tijd het lokale bestuur, provinciale instellingen en de landelijke overheid zich zeer verantwoordelijk voelden voor het herstel van werkgelegenheid. Het treffen van algemene maatregelen en het verder over laten aan 'de markt' was toen niet aan de orde.

Mr. M. J. VAN ROSSUM DU CHATTEL
De recente bedrijfssluitingen te Deventer en de vooruitzichten

Op 9 december 1965 werd Deventer opgeschrikt door het bericht, dat de fabriek van Ankersmit's Textielfabrieken, sinds enige tijd deel uitmakende van Texoprint N.V., als gevolg van een interne reorganisatie binnen het bedrijf van Texoprint zou worden gesloten en opgeheven. Door deze bedrijfssluiting werden 988 werknemers getroffen en zag Deventer een van zijn oudste bedrijven verdwijnen.
Deze aankondiging zal bij vele oudere Deventernaren ongetwijfeld de herinnering hebben wakker geroepen aan de sluiting van de Deventer IJzergieterij en Machinefabriek v/h J. L. Nering Bögel en Co. in 1932, waardoor enige honderden werknemers op straat kwamen te staan. Hoe anders is echter de toestand in 1965 vergeleken met dertig jaar geleden. In het Gemeenteverslag over het jaar 1933 (bijlage H, blz. 2) treft men over de door de sluiting van de N.V. Deventer IJzergieterij en Machinefabriek v/h J. L. Nering Bögel en Co. werkloos geworden arbeiders de volgende opmerking aan: "Onder het aantal werkzoekenden bevinden zich ook enkele honderdtallen metaalbewerkers, die hier ter stede nimmer meer in hun vak emplooi zullen vinden, wegens de opheffingen van twee groote industrieen". Nederland verkeerde toen in de grote crisis van de dertiger jaren en Deventer telde toen evenals de andere steden vele honderden werklozen (januari 1933: 1771).
Voor velen van de werknemers van Ankersmit bestond de gerede verwachting, dat zij elders werk zouden vinden. Voor het personeel werd een afvloeiingsregeling getroffen, die enige frictie in de eerste dagen ten spijt de instemming van de vakbonden verwierf.
Toen kort nadien de sluiting van de meelfabriek van de Koninklijke Industriële Maatschappij Noury en Van der Lande N.V., enige tijd voordien overgenomen door de N.V. Koninklijke Zwanenberg-Organen, bekend werd, waardoor 242 mensen zonder werk zouden komen, waren deze bedrijfssluitingen voor de regering aanleiding maatregelen te treffen met het oog op het herstel van de werkgelegenheid in Deventer. De gemeente Deventer werd voor het jaar 1966 aangewezen als primaire ontwikkelingskern in de zin van premie- en prijsreductieregeling "Stimulering industrievestiging ontwikkelingskernen". Als gevolg hiervan konden industriële bedrijven die zich in Deventer vestigden en aan bepaalde in die regeling omschreven eisen voldeden, in aanmerking komen voor een premie, waarvan de grootte afhankelijk is van het vloeroppervlak, en voor een reductie op de grondprijs. Voorts zegde de minister van volkshuisvesting en ruimtelijke ordening toe, dat rijksgoedkeuringen voor industriële projecten op korte termijn zouden worden afgegeven. Tenslotte werd de mogelijkheid geopend garanties te verstrekken voor leningen van de Nationale Investeringsbank (Herstelbank) N.V. ten behoeve van industriële projecten te Deventer.
Deze snelle reactie van de regering heeft er veel toe bijgedragen om de sfeer in Deventer ten goede te doen keren. Het gemeentebestuur is de regering voor deze, vooral snelle hulp bijzonder erkentelijk. Ook het gemeentebestuur zat niet stil. Op korte termijn werd een persconferentie belegd en werden de nodige besprekingen in Den Haag gevoerd. Ten einde een slagvaardig beleid te kunnen voeren en om te komen tot een goede coördinatie van de te nemen maatregelen riep het college van burgemeester en wethouders op 28 december 1965 een Werkgroep industriële ontwikkeling Deventer in het leven. In deze commissie, die het gemeentebestuur ter zijde staat bij zijn pogingen nieuwe werkgelegenheid aan te trekken, hebben naast de wethouder van openbare werken als voorzitter en enige gemeente-ambtenaren zitting de directeur van het gewestelijk arbeidsbureau, de adjunct-directeur van het Economisch Technologisch Instituut Overijssel en de secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Twente en Salland, district Salland. Het eerste werk van deze commissie was het opmaken van de balans en te onderzoeken welke mogelijkheden er waren om nieuwe bedrijven aan te trekken. Hierbij kwam nog weer eens duidelijk aan het licht hoe beperkt de mogelijkheden waren door het veel te krappe grondgebied van Deventer, hetgeen een ernstige handicap betekent voor het streven van het gemeentebestuur op korte termijn nieuwe werkgelegenheid te creëren.
Begin mei 1966, werd, hoewel niet geheel onverwacht, Deventer weer opgeschrikt en wel door de aanvraag van surséance van betaling van Davo's Haardenfabriek N.V., al spoedig gevolgd door de sluiting van dit bedrijf. Dit betekende het ontslag voor nogmaals 230 mensen.


Al spoedig na het aanwijzen van Deventer als ontwikkelingskern kwamen vele aanvragen om inlichtingen over industrievestiging bij het gemeentebestuur binnen. De grote mate van publiciteit die via pers en televisie aan de bedrijfssluitingen was gewijd, vestigde alom de aandacht op Deventer. Niet alleen de faciliteiten ingevolge de premie- en reductie regeling waren oorzaak van deze belangstelling, maar in het begin droeg ook de verruiming van de plaatselijke arbeidsmarkt - landelijk was de arbeidsmarkt nog in hoge mate gespannen - in belangrijke mate hiertoe bij. Van deze vele aanvragen om inlichtingen hebben zoals niet anders te verwachten was slechts enkele tot een voor Deventer gunstig resultaat geleid, terwijl in enkele gevallen helaas niet kon worden voldaan aan de wensen van de aanvragers. Bij het uitgeven van de beschikbare industriegrond streeft het gemeentebestuur er naar deze met het oog op het aantal te scheppen arbeidsplaatsen zo effectief mogelijk te benutten.
Over het resultaat van de maatregelen van de regering en de bemoeiingen van het gemeentebestuur is een bescheiden voldoening op zijn plaats. Hoewel de situatie zeker nog niet onverdeeld gunstig genoemd kan worden, bestaat het vertrouwen, dat de industriële werkgelegenheid te Deventer zich van de ondervonden achteruitgang zal herstellen. Hiervoor zal echter een voortdurende inspanning vereist blijven. In 1966 besloten acht bedrijven tot vestiging in Deventer, te weten: Eurostepp N.V., industrie van doorgestikte en gewatteerde stoffen; Th. Obdeijn en Zn. N. V., aannemersbedrijf; Selecta N.V., uitgeverij en drukkerij; de Coöperatieve Veevoederfabriek "Sloten" g.a.; Molenaars combinatie Oost Nederland N.V., veevoederfabriek; N.V. Granaria Graaninkoop maatschappij, graansilo; Wagemans Vlees Unie N.V., vleeswarenindustrie; en Unidarm N.V., kunstdarmenindustrie. Een bedrijf dat reeds tot vestiging besloten had, trok zich onlangs weer terug toen het in de gelegenheid was een sinds kort buiten gebruik gestelde steenfabriek in de omgeving aan te kopen. In een van de nieuwe gebouwen van Noury en Van der Lande vestigde zich in de loop van 1966 Golden Wonder N.V., een nieuw opgericht bedrijf voor de fabricage van chips. Deze nieuwe bedrijven zullen aan ongeveer 260 mensen werk bieden en op den duur wellicht aan 355 mensen.
Dank zij de versnelde afgifte van rijksgoedkeuringen konden reeds bestaande plannen van verschillende Deventer bedrijven tot uitbreiding of nieuwbouw veel eerder ter hand genomen worden dan oorspronkelijk verwacht werd. Ook hierdoor zal een verruiming van werkgelegenheid kunnen ontstaan.
Een deel van de door de bedrijfssluitingen getroffen werknemers werd door de bestaande Deventer industrie in dienst genomen. De versterking en uitbreiding van de werkgelegenheid in Deventer zal voor een heel belangrijk deel moeten komen van de bestaande industrie. Het gemeentebestuur ziet het dan ook als een van zijn belangrijkste taken om bij te dragen tot een zo gunstig mogelijk klimaat voor de groei en uitbreiding van de Deventer industrie. Door de gebeurtenissen van het afgelopen jaar is het licht van
openbare belangstelling wel wat eenzijdig op de vestiging van nieuwe bedrijven gevallen. Dit betekent echter niet, dat de belangstelling van het gemeentebestuur voor het wel en wee van de bestaande bedrijven ook maar in enig opzicht zou zijn verminderd.
Ten aanzien van de gevolgen van de in Deventer plaats gehad hebbende bedrijfssluitingen dient een onderscheid te worden gemaakt tussen het sociale aspect en het werkgelegenheids-vraagstuk, Hoewel beide nauw samenhangen, belichten zij toch ieder een ander facet van het vraagstuk. Het sociale aspect zou ik willen aanduiden als de actuele kant van het probleem; in hoeverre zijn de door de bedrijfssluitingen getroffenen er in geslaagd weer werk te vinden? Het werkgelegenheidsaspect is de vraag naar het aantal beschikbare arbeidsplaatsen nu en in de toekomst, waarbij de belangstelling uiteraard voornamelijk uitgaat naar de industriële werkgelegenheid.


Gelukkig heeft een groot deel van hen die door deze bedrijfssluitingen zonder werk kwamen, elders weer werk kunnen vinden. Volgens gegevens van het Gewestelijk Arbeidsbureau te Deventer hebben van de in totaal 1460 bij deze bedrijfssluitingen betrokkenen er tot dusver ongeveer 90 personen nog geen passend werk kunnen vinden. Het werkloosheidscijfer voor Deventer lag eind december iets onder het landelijk gemiddelde, zodat er uit dien hoofde op dat ogenblik geen reden tot grote ongerustheid behoefde te bestaan. Deze getalsmatige benadering mag ons echter niet de menselijke kant van deze zaak doen vergeten. Velen moesten hun - veelal sinds jaren - vertrouwde arbeidsomgeving verlaten en ander werk zoeken met alle consequenties van dien. Schrijnend zijn de gevallen van oudere werknemers die er niet in slagen passend werk te vinden. Het vraaggesprek met een van hen, opgenomen in het Deventer Dagblad van 30 december 1966, geeft van deze tragiek een treffend beeld.
Het is zonder meer duidelijk, dat de sluiting van deze drie bedrijven niet zonder invloed is op de industriële werkgelegenheid in Deventer, daar vele arbeidsplaatsen zijn weggevallen. Een deel hiervan is gecompenseerd door uitbreiding in de bestaande bedrijven, maar blijkens een onderzoek van het Economisch Technologisch Instituut Overijssel bedroeg de uiteindelijke teruggang in de Deventer industrie 1130 personen. Het is dit aspect, dat het gemeentebestuur met zorg vervult. Jaarlijks immers komen enige honderden jongeren hun plaats in het produktieproces zoeken. De twee l.t.s.en te Deventer leveren jaarlijks ongeveer 300 leerlingen af. Deskundigen nemen aan, dat in 1966 de dienstensector in Deventer een groot aantal mensen heeft opgenomen, zodat daar in de komende jaren de behoefte aan nieuwe arbeidskrachten relatief geringer zal zijn. Met kracht zal daarom gestreefd moeten worden naar uitbreiding van de industrie in Deventer. Dit zal de eerste jaren een van de belangrijkste taken van de gemeente zijn. Met het oog op een zo rijk mogelijk geschakeerde arbeidsmarkt zal tevens getracht moeten worden bedrijven aan te trekken die hoger gequalificeerd personeel nodig hebben. Het streven van het gemeentebestuur is dan ook in het bijzonder op dit soort bedrijven gericht. Voor dergelijke bedrijven biedt Deventer alle omstandigheden in aanmerking genomen zeer goede mogelijkheden.

Welke kansen heeft het streven van het gemeentebestuur om nieuwe bedrijven aan te trekken? De beperkte hoeveelheid beschikbaar industrieterrein is op dit ogenblik voor de gemeente een handicap. Er bestaan vergevorderde plannen tot uitbreiding van het gemeentelijke industrieterrein. Deze uitbreiding zal moeten plaatsvinden op het aangrenzende gebied van Diepenveen, daar het Deventer grondgebied hiervoor geen plaats meer biedt. Ook hier manifesteert zich weer eens duidelijk de ruimtenood waarin Deventer ondanks de grenswijziging van 1960 nu al jaren verkeert. Het zal voor een ieder duidelijk zijn dat een dergelijke toestand voor een zich gezond ontwikkelende en levenskrachtige stad een absurde situatie is. Het gemeentebestuur van Diepenveen verleent ten aanzien van de uitbreiding van het industrieterrein een verheugende medewerking. Het zal desondanks echter nog wel enige tijd duren voordat op dit nieuwe industrieterrein grond' zal kunnen worden uitgegeven.
Als positieve factor voor het slagen van het industrie-acquisitiebeleid moet genoemd worden de grote woningproduktie dank zij de rationeel opgezette bouwstromen. Het is slechts te hopen, dat op korte termijn een gunstige beslissing over het dubbelstadplan zal worden genomen. In dat geval is een continue hoge woningproduktie verzekerd. Heeft op deze factoren de gemeente slechts maar ten dele invloed, nu de beslissing bij hogere instanties is komen te rusten, op andere heeft het gemeentebestuur wel een rechtstreekse invloed. Aan de infrastructuur van Deventer, die de vergelijking met andere plaatsen al goed kon doorstaan, zijn de laatste jaren vele nieuwe elementen toegevoegd; het nieuwe gebouw van de openbare leeszaal, de kunstijsbaan, het overdekte zwembad en de voorzieningen in de medische sector. Op van uit het westen komenden oefent Deventer, wanneer men de stad eenmaal heeft leren kennen, een grote aantrekkingskracht uit. Bij alle gunstige factoren voor de vestiging van nieuwe bedrijven komt de aantrekkelijkheid van Deventer als woonstad in een mooie omgeving. Dit is een factor die bij het aantrekken van nieuwe industrieën een belangrijke rol speelt. De vooruitzichten voor de ontwikkelingsmogelijkheden van Deventer op de lange duur kunnen daarom zonder meer gunstig genoemd worden, zodat Deventer de toekomst met vertrouwen tegemoet ziet.

Samenwerking bibliotheken
Een proces dat zich in de jaren zestig langzaam voltrok was de deconfessionalisering en de ontzuiling. In 1967 kwam er een eind aan de verzuiling in de Overijsselse bibliotheekwereld. Twee provinciale bibliotheekcentrales kregen elk een deel van Overijssel toegewezen en hun bibliotheken kwamen ter beschikking van alle gezindten. Het artikel van Kees Post begint als volgt: 'Wederom goed nieuws uit de Overijsselse bibliotheekwereld. Ditmaal geen berichten over de opening van een nieuw gebouw in een van de vele plattelandsdorpen of cijfers, die een nieuw uitleenrecord vastleggen, maar de mededeling over een nieuwe opzet van de lectuurvoorziening ten plattelande in dit gewest. Na moeizaam en langdurig onderhandelen namelijk hebben de beide instellingen, die sinds de eind-veertiger jaren in Overijssel werkzaam zijn op het terrein van de lectuurvoorziening ten plattelande, besloten te gaan samenwerken; het zijn de Centrale Plattelandsbibliotheek Overijssel (CPBO), gevestigd in Zwollerkerspel, en de Katholieke Centrale Vereniging voor Lectuurvoorziening in Overijssel (KCVL), gevestigd in Borne. Tot voor kort stonden zij, min of meer als geharnaste concurrenten, tegenover elkaar en poogden daarbij elkaar zoveel mogelijk lectuurvliegen af te vangen. Onder deze omstandigheden kon het gebeuren - Heino levert het sprekende praktijkvoorbeeld - dat in een kleine plattelandsgemeente zowel door de CPBO als door de KCVL een bibliotheek op poten werd gezet. Evenmin kon, als gevolg van dit gescheiden optreden, worden voorkomen, dat het personeel van beide instellingen werd gedwongen ondoelmatig heen en weer te reizen: van Zwollerkerspel naar Twente en van Borne naar Salland.'
Vanaf 1968 waren twee provinciale bibliotheekcentrales actief: de PBC West-Overijssel en de PBC Overijssel-Oost. In 1989 gingen beide op in de Overijsselse Bibliotheekdienst, die intussen onderdeel is van de Rijnbrink Groep.

De foto's hieronder geven een beeld van de bibliotheek in 1967.



zondag 1 maart 2015

De Mars, maandblad van en voor Overijssel (18): februari 1967

De Mars was een Overijssels maandblad dat tussen 1953 en 1981 verscheen en waaraan veel bekende journalisten/publicisten uit die tijd meewerkten. De Mars bevatte artikelen over regionale onderwerpen op cultureel, maatschappelijk, economisch en toeristisch terrein. De vaak lange(re) artikelen geven een goed tijdsbeeld. Deze maand precies 48 jaar geleden verscheen het februari-nummer 1967.

Foto: Waterige blik op de wijk Wesselerbrink (Enschede) in opbouw (Ger Dekkers)

In de roerige jaren zestig ging de samenleving als geheel en het onderwijs in het bijzonder op de schop. In 1967 werden voorbereidingen getroffen tot het oprichten van ‘mammoetscholen’, ook in Deventer, waarbij nieuwe vormen van onderwijs werden geïntroduceerd (o.a. MAVO, HAVO, Atheneum). Zelfstandige gymnasia werden opgeheven. De rector van het Alexander Hegius Gymnasium waarschuwde voor ‘monsterscholen’, maar hij kon de vorming van de Alexander Hegius Scholengemeenschap (1971) niet tegenhouden. In 2000 ging ‘het Hegius’ samen met het Revius en Geert Grote College weer op in het Etty Hillesum Lyceum, een nog veel grotere monsterschool dan waar de rector in 1967 voor vreesde. Hieronder een artikel uit de periode waarin onderwijsvormen die al generaties lang bestonden verdwenen in het kader van de Mammoetwet.

W. J. VEENSTRA
Over vijf jaar in Deventer een "mammoetschool"

Het is mogelijk dat over een jaar of vijf een kleine 1300 scholieren uit Deventer tezamen één kringspel zullen spelen: "In Deventer staat een school". Natuurlijk bedoelen we dat figuurlijk. Leerlingen van gemiddeld een jaar of 15 voelen zich véél te oud voor zo'n kinderspel. We willen maar zeggen dat alle 1300 tot één en dezelfde school behoren. Nou ja, school ... Cals' Mammoetwet, waarvan de jongste berichten zeggen dat ze tóch in '68 in werking treedt, spreekt in dit verband van een “scholengemeenschap". Een samenstel van scholen, dat het hele voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs "nieuwe stijl" omvat en dus wat lijkt op ons huidige lyceum, al is het een zeer oppervlakkige gelijkenis.
In Deventer komt zo'n scholengemeenschap. De raad ging in zijn oktobervergadering akkoord met voorstellen van b. en w., die een complete reorganisatie van het hele niet-confessionele v.h.m.o. beogen. Te bereiken in twee fasen die samen in vijf jaar voltooid moeten zijn.

Foto: Het terrein in Borgele waar de nieuwe scholengemeenschap zal worden gebouwd.

Als alles gaat, zoals het Deventer college graag wil, bezit de stad per 1 augustus 1971 naast het R.K. Geert Grote College, een openbare scholengemeenschap, waarin naast gymnasium en atheneum (h.b.s.) ook een afdeling voor hoger algemeen vormend onderwijs (h.a.v.o.) is ondergebracht. Deze gemeenschap, door de Deventernaar in de wandeling nu al "mammoetschool" genoemd, zal haar hoofdzetel krijgen in een riant gebouw in het noordwestelijke uitbreidingsplan Borgele. Bestaande gymnasium- en m.s.v.m.-gebouwen
aan de Nieuwe Markt zullen tegen die tijd nog ongeveer 500 van de in totaal op bijna 1300 geschatte leerlingen herbergen. Tussen nu en 1971 ligt een heel eind. Aan de hand van de richtlijnen van de nieuwe Wet op het Voortgezet Onderwijs (dat is de Mammoetwet) hopen b. en w. die afstand, zonder al te veel narigheid, geleidelijk te overbruggen. Aan een onderwijssituatie, die vele decennia heeft geduurd, wordt de komende jaren een, naar het schijnt, ondanks de geleidelijkheid nogal drastisch, eind gemaakt. Onderwijsinstituten,
die door hun lange staat van dienst respectabel genoemd kunnen worden en met elkaar honderden, neen duizenden jonge Deventernaren hebben klaargemaakt voor universiteit of hogeschool of op zijn minst voor een middelbare functie in bijvoorbeeld het bedrijfsleven, verliezen volledig hun zelfstandigheid. De een wat eerder dan de ander, worden ze opgenomen in de scholengemeenschap. Dit alles ten nutte van de Deventer leerling, of duidelijker gezegd: ter verkrijging van nóg meer kansen voor elk kind op dát soort onderwijs dat het 't beste ligt. Precies wat Cals wilde dus, maar in Deventer hebben ze, zij het beslist niet achteraan in den lande, nog slechts een bescheiden stap gezet op weg naar deze, door b. en w. onder de gegeven omstandigheden ideaal geachte, situatie.
De eerste fase is die waarmee men per 1 augustus 1968 wil komen tot een gemeentelijke atheneum-havoschool. In die school komen de huidige rijks-h.b.s., de middelbare school voor meisjes en de bijzondere middelbare handelsdagschool bijeen. Daartoe gaat de h.b.s. over naar de gemeente (er is al overeenstemming met het rijk bereikt) en worden de m.s.v.m. en de handelsdagschool gecombineerd tot een havo-afdeling, met naast economische en literaire richtingen ook een mathematische kant. De hogere burgerschool, die tot de oudste r.h.b.s.-en in ons land behoort (twee jaar geleden werd het 100-jarig bestaan herdacht) is vanaf '68 niet langer zelfstandig meer.

Foto: Het gebouw van de Deventer Rijks-HBS

In 1971 - het tijdschema is o.a. geïnspireerd op de vertrekdata van de met pensioen gaande schoolhoofden - zal het oude, eerbiedwaardige Alexander Hegius Gymnasium, dat er terecht aanspraak op maakt een onvervalste voortzetting te zijn van de eertijds zo beroemde Deventer Latijnse School, dezelfde weg gaan. De eveneens in de Mammoetwet verankerde brugklas moet in Deventer al gaan draaien, als de atheneum-havoschool er is; in '68 dus. Hoe dat brugjaar, dat in principe zowel voor toekomstige havo- en vwo-leerlingen als voor m(iddelbaar)-avoleerlingen bestemd is, er precies uit gaat zien, weet ook de wethouder van onderwijs, mej. T. van Weperen, nog niet. Ze wil zich laten adviseren door een of zelfs meerdere werkgroepen, daar de landelijke richtlijnen genoeg gelegenheid bieden voor een typisch Deventer interpretatie.
Het plan voor een scholengemeenschap is overigens in eerste instantie niet afkomstig van wethouder Van Weperen, maar meer van haar voorganger mr. J. A. Heemstra en ook burgemeester mr. N. Bolkestein, die de v.h.m.o.-portefeuille een poosje heeft beheerd, heeft er zijn steentje aan bijgedragen. Nadat er in 1950 al eens overwegingen waren geweest om een lyceum te stichten (men zag er ten slotte vanaf, omdat aan de rijks-h.b.s. nog niet getornd kon worden), demonstreerden b. en w. twee jaar geleden al een enigszins herziene visie. Besloten werd toen met het rijk te gaan onderhandelen en nu is het dan zover dat alle niet-confessionele v.h.m.o. in gemeentelijke handen komt.
In zijn nota van dit jaar omschrijft het college het voordeel van een scholengemeenschap als volgt: "Tot nu toe was de didactische aansluiting tussen het gewoon lager onderwijs en het eerste jaar van het voortgezet onderwijs zeer gebrekkig; de leerlingen van de lagere school werden onvoldoende georiënteerd over de mogelijkheden van het v.o. Hoe kleiner de school, hoe ongenuanceerder het bevorderings- en examensysteem. Dit alles wordt voor een groot deel ondervangen met het plan om een scholengemeenschap te stichten met een gemeenschappelijk brugjaar."
Denkt u maar niet dat het voorstel-scholengemeenschap er in de raadsvergadering direct als koek in ging. Er was van tevoren al wat storm gegaan door plaatselijke (onderwijs-)kringen. (Rijks-) leraren voelden zich in hun positie aangetast en met name rector dr. J. van Kuik van het A.H. Gymnasium verweerde zich. Hij keerde zich tegen opheffing, omdat: A.) hij tegen een monsterschool van 1300 leerlingen was, waarop de leerlingen "nummers" zouden zijn en B.) hij Latijn in de brugklas onontbeerlijk vond voor de selectie van de gymnasiale leerlingen. (Latijn kan voortaan alleen op pure gymnasia in het brugjaar gedoceerd worden). Rector Van Kuik kreeg bijval van de Deventer Kring van Werkgevers en de Kamer van Koophandel.
In de raad sprong de VVD-fractie op de bres voor het gym en liet zich ook in tweede en zelfs derde termijn niet overtuigen door wethouder mej. Van Weperen. Zij nam het in haar pleidooi op voor de algehele verbetering van het middelbaar onderwijs in Deventer en was het volstrekt oneens met de stelling dat alleen uit lesjes Latijn kan blijken of een leerling geschikt is voor gymnasiaal onderwijs. De liberalen stemden tegen, met uitzondering van wethouder Heemstra. Een zeer ruime meerderheid voor b. en w. betekende dat.
En nu maar wachten op het nieuwe schoolgebouw in Borgele, waarvoor de raad tegelijkertijd een startkrediet van f 25.000 uittrok. Veel meer dan een enkel ontwerp maken, kan men met dit bedrag niet. B. en w. hopen dan ook dat het rijk doorgaat, zij het in gewijzigde vorm, met de nieuwbouwplannen die er al waren voor de r.h.b.s.

Foto: De Middelbare Meisjes-School, die straks in de scholengemeenschap een gemengde school wordt.

Werkloosheid
De werkloosheid is ook in 1967 een belangrijk thema. Overijssel telde in dat jaar 8.000 werkzoekenden. Ter vergelijking, nu zijn het er 55.000. Rekening houdend met een kwart bevolkingstoename, zijn dat er altijd nog 5x zo veel als in 1967. Met name de bouwsector had het moeilijk – toen ook al – en de gemeente Enschede diende verzoeken in tot rijksfinanciering voor de bouw van openbare werken zoals wijkcentra, om bouwvakkers aan werk te helpen.

Berichten
* het gewest Overijssel van de Partij van de Arbeid telt bijna 10.000 leden. Ter vergelijking: het huidige aantal is 52.000 landelijk
* in Twente worden voor het eerst meetapparaten geplaatst waarmee de aanwezigheid van zwaveldioxide en roet kan worden opgespoord
* Bij de Tweede Kamerverkiezingen 15 februari 1967 werd in Overijssel als volgt gestemd: KVP 25,6% - PvdA 23,0 - CHU 12,7 - ARP 10,8 - VVD 8,1 - Boeren Partij 5,7 - CPN 2,8 - D'66 2,8 - SGP 2,7 - PSP 2,3 - GPV 2,2
* van de 1500 personen die een jaar eerder bij de massa-ontslagen in Deventer betrokken waren zijn er nog 150 werkloos, 90% heeft alweer werk gevonden

zaterdag 24 januari 2015

De Mars, maandblad van en voor Overijssel (17): januari 1967

De Mars was een Overijssels maandblad dat tussen 1953 en 1981 verscheen en waaraan veel bekende journalisten/publicisten uit die tijd meewerkten. De Mars bevatte artikelen over regionale onderwerpen op cultureel, maatschappelijk, economisch en toeristisch terrein. De vaak lange(re) artikelen geven een goed tijdsbeeld. Deze maand precies 48 jaar geleden verscheen het januari-nummer 1967.

Naast een artikel van H. Schelhaas over de muurschilderingen in de kerk van Bathmen en een artikel van W.J. Veenstra over de wildstand die bedreigt wordt door de natuur verslindende menselijke activiteiten, bevat dit nummer een beschouwing over de toekomst van het Reggegebied van watergraaf J.S. Biesheuvel, dat hier integraal geplaatst wordt. Omdat een redactioneel commentaar ook veel zegt over de tijd van toen, geef ik dat hier ook weer, alsmede enkele korte nieuwsberichten.

Foto: Winterse boom in Ommen (Ger Dekkers)

Uit de redactionele mars:
Cultuur zonder visie
Ruim een jaar geleden, namelijk in oktober 1965, heeft de Culturele Raad voor Overijssel een provinciale "Cultuurnota" uitgebracht, die onlangs aan de Overijsselse staten is aangeboden. In de tussenliggende tijd heeft het college van gedeputeerde staten het werkstuk bestudeerd en het is daarbij, blijkens de begeleidende brief, o.m. tot de conclusie gekomen, dat de Culturele Raad met het uitbrengen van de nota een belangrijk stuk werk heeft verricht. Immers, "de nota geeft een beeld van de huidige culturele situatie in de provincie en noemt een aantal wenselijkheden voor de toekomst."
Onze conclusie is een geheel andere. Naar onze mening heeft de provincie niet zo zeer behoefte aan een uitputtende inventarisatie van' allerhand culturele aktiviteiten, aangevuld met enkele schuchter geplaatste wenselijkheden. Wèl is er behoefte aan een duidelijk antwoord op de vraag wat er (globaal) in Overijssel in de toekomst op het culturele erf zal moeten gebeuren. Op die vraag had de Culturele Raad een antwoord dienen te geven.
Wij hadden, vóór alles, in de nota beleidsadviezen verwacht. Aan de hand van die adviezen zou het provinciaal bestuur de gelegenheid zijn geboden een gefundeerd beleid te ontwikkelen en bij de uitvoering van dit gefundeerde beleid een schema van prioriteiten aan te houden.
Uit niets blijkt voorts, dat de Culturele Raad bij de voorbereiding van de nota zich de moeite heeft getroost een vergelijkend onderzoek in te stellen. Geen woord over de aanpak in andere provincies, geen vergelijkingscijfers, geen kostenberekeningen. Belangstellende lezers worden gedwongen blind te varen. Een voorbeeld: de nota spreekt waarderend over het muziekonderwijs en bepleit voor deze aktiviteit krachtige financiële steun van de provincie. Waarom hieraan niet toegevoegd, dat Overijssel op dit punt achterloopt? Wordt van de staten, die uiteindelijk over de provinciale steun moeten beslissen, verwacht, dat zij zelf vergelijkingsmateriaal gaan opscharrelen? In de zeer vage toneelparagraaf somt de
nota de rij van gemeenten op, die naar het oordeel van de Culturele Raad in aanmerking komen voor schouwburgaccommodatie. Het bestaan van levenskansen voor al deze schouwburgen wordt evenwel niet aangetoond. Evenmin wordt vermeld, dat een onderzoek heeft uitgewezen, dat de stichting van al deze instellingen noodzakelijk is. Is op dit punt een beetje met de culturele pet gegooid?
Wellicht hebben wij te veel verwacht en ons te weinig gerealiseerd, dat de Culturele Raad zich wel een heel uitgestrekt arbeidsveld heeft toegemeten. De nota houdt zich immers bezig met ruilverkavelingen, restauraties, waterzuivering, landschapsschoon en zandwinningen. Cultuur grijpt voor de raad zeer diep. Naar onze mening had enige taakbeperking de raad stellig niet ontsierd en zeker zou daardoor de mogelijkheid geschapen zijn op het aldus beperkte terrein méér gedegen werk te verrichten. Rest ons nog een detail-opmerking. In het hoofdstuk "Overheid en Cultuur" zegt de nota: "Cultuur, hetzij eng hetzij ruim genomen, is geen voorrecht van de elite, maar een aanspraak van elkerlyc".
Niettemin wordt kasteel "Het Nijenhuis" - in de toekomst het duurste Overijsselse museum, dat schatten aan gemeenschapsgeld zal gaan verslinden - in diezelfde nota voorgeschoteld als een oord, dat voor elkerlyc gesloten zal blijven ... geen massabezoek en geen educatieve functie. De Culturele Raad heeft ons voor vele vragen en raadselen geplaatst. Desondanks blijven wij hopen op een duidelijk provinciaal cultuurbeleid!

J. S. Biesheuvel
Breed beraad over het Reggegebied in de toekomst
Hoewel de afwatering in het gebied van het waterschap de Regge sinds 1925 aanzienlijk is verbeterd wordt het steeds meer duidelijk, dat het waterschap in de toekomst nog vele belangrijke werken zal moeten uitvoeren om gelijke tred te kunnen houden met nieuwe eisen en veranderende inzichten op het gebied van de waterhuishouding. Als voornaamste punten komen daarbij naar voren de voortschrijdende ontwikkeling in de landbouw, de snelle groei van de Twentse steden, de aanleg van grote verkeerswegen e.d.
Het dagelijks bestuur van het waterschap heeft het noodzakelijk geacht, de problemen welke al deze zaken oproepen nauwkeurig te onderkennen. En vervolgens om maatregelen te beramen, die zullen moeten strekken tot aanpassing van de waterhuishouding in het Reggegebied aan de eisen, welke in de huidige tijdsomstandigheden redelijkerwijs en economisch verantwoord kunnen worden gesteld.
Het dagelijks bestuur heeft het beraad hierover niet tot de eigen waterschapskring willen beperken. Het acht het van belang, dat ook de instanties die uiteindelijk mede bij deze materie zullen worden betrokken van de aanvang af de gelegenheid wordt geboden hierbij een inbreng te leveren. Met name is hierbij gedacht aan rijkswaterstaat, provinciale waterstaat en cultuurtechnische dienst.
Daarom werd een studiecommissie voor de waterbeheersing in het gebied van het waterschap de Regge ingesteld en geinstalleerd, die als volgt werd samengesteld: a. vier vertegenwoordigers van het dagelijks bestuur, t.w. de watergraaf en de heren W. L. ter Bekke, ir. H. W. Bunschoten en jhr. mr. L. M. E. von Fisenne; b. een vertegenwoordiger van de rijkswaterstaat, t.w. het hoofd van het arrondissement Almelo, ir. Hettema; c. een vertegenwoordiger van de provinciale waterstaat, het hoofd van de afdeling waterhuishouding; ir. C. D. Viehoff; d. twee vertegenwoordigers van de cultuurtechnische dienst, t.w. de hoofdingenieur-directeur van deze dienst in Overijssel, ir. A. J. Markvoort en één van diens medewerkers. Als plaatsvervangende leden voor de drie genoemde leden van het dagelijks bestuur zullen eventueel optreden resp. de heren W. Rohaan, ir. W. L. Boerendans en A. H. Hesp.
Het hoofdaccent van de waterschapstaak heeft aanvankelijk gelegen op de behartiging van agrarische belangen. Ook thans nog is dit een hoogst belangrijk aspect. Zonder een efficiënte uitoefening van de zorg voor de waterhuishouding zou een aan de eisen van deze tijd aangepaste bedrijfsvoering in de landbouw welhaast onmogelijk zijn. Verwacht mag worden, dat de landbouw op den duur nog hogere eisen aan de waterhuishouding zal stellen. Naast de zorg voor natuurlijke afwatering zal mogelijk ook meer vraag komen naar een zodanige beheersing van het water dat de afwisseling van natte en droge seizoenen uit een oogpunt van waterhuishouding in normale omstandigheden geen belangrijke invloed meer zal behoeven te hebben op de bedrijfsresultaten in de landbouw. Ook met het oog op de internationale concurrentiepositie van onze landbouw is het een zaak van de eerste orde, dat de waterschappen de landbouw in staat stellen door middel van een juiste waterbeheersing de meest gunstige bedrijfsresultaten te bereiken. In dit verband kan worden opgemerkt dat in de memorie van toelichting bij de ontwerpbegroting 1967 van het ministerie van landbouw is gesteld, dat de herhaalde wateroverlast bij de huidige productietechniek in de landbouw moeilijk kan worden aanvaard. Wat het waterschap de Regge betreft plaatst dit ons voor de taak ons te beraden over hetgeen in de nabije toekomst nog aan de afwatering van het agrarisch gedeelte van ons gebied dient te worden verbeterd.

Foto: Bebouwing van de oppervlakte met steden en wegen betekent, dat geen water ter plaatse in de grond verdwijnt, zodat het snel afgevoerd moet worden.

Het waterschap de Regge is in de loop van zijn bestaan in toenemende mate geconfronteerd met de aanwezigheid van steden, die van betrekkelijk onbetekenende plaatsen mede als gevolg van de industriële ontwikkeling zeer snel zijn uitgegroeid tot belangrijke centra. Aanvankelijk vormde de daarmede gepaard gaande watervervuiling een steeds in omvang toenemend probleem. Er is thans een gegronde verwachting dat dit probleem geleidelijk tot een oplossing zal worden gebracht nu het waterschap sinds 1962 is belast met de actieve taak op het gebied van de afvalwaterzuivering. Naast het probleem van de waterverontreiniging, bezorgt de laatste tijd de afvoer van water uit de Twentse steden, het waterschap echter de nodige hoofdbrekens. Een belangrijke verbetering zal op dit punt met name voor de stad Hengelo zijn verkregen zodra het Bekenplan Hengelo zal zijn gerealiseerd. Het voornaamste knelpunt zal daarna nog blijven het gebied tussen Hengelo en Almelo, waar de snelle afvoeren van Hengelo en Oldenzaal bij grote regenval herhaaldelijk inundaties veroorzaken. Het is een primaire taak van de studiecommissie, zich te beraden over maatregelen die voor dit gebied het nodige soulaas zullen kunnen brengen. Ook elders zullen de afvoeren van de nog steeds groeiende steden bij voortduring zorgen baren. Met name wanneer. de in het streekplan Twente gelanceerde bandstadgedachte realiteit zal worden. Het waterschap de Regge zal zich daarom hebben te bezinnen op welke wijze de waterstaatkundige gevolgen van de stadsuitbreidingen zullen moeten worden opgevangen.
Hoewel het vraagstuk der afvalwaterzuivering niet in de opdracht van deze studiecommissie is betrokken zou het niet juist zijn stilzwijgend aan deze gelegenheid voorbij te gaan. De stichting van zuiveringsinstallaties kan ook problemen oproepen voor de waterbeheersingstaak van het waterschap. In beginsel betekent de stichting van een rioolwaterzuiveringsinstallatie niet, dat méér water wordt afgevoerd dan voorheen. Wel zal de stichting van een zuiveringsinstallatie tot gevolg hebben dat de waterafvoer, die tot dusverre in meerdere richtingen plaatsvond, op één punt wordt geconcentreerd. Dit laatste kan bezwaren geven indien de capaciteit van de afvoerende beek hierop niet is berekend. Bij het maken van eventuele combinaties wordt dit punt steeds terdege onder ogen gezien. Het is nuttig dat ook de commissie zich bij haar arbeid realiseert welke gevolgen de stichting van zuiveringsinstallaties op de waterafvoer kan hebben.
Reeds eerder in deze inleiding is gewezen op de belangrijke functie die de kanalen in de waterhuishouding van het Reggegebied vervullen. Het kanaal Hancate- Vroomshoop zal binnenkort grotendeels door het waterschap worden overgenomen en kan dan meer dan nu reeds het geval is worden gebruikt voor waterafvoer en eventueel waterberging. Het kanaal Vroomshoop-de Haandrik is mede dienstbaar aan het transport van water uit het Nieuwe Stroomkanaal naar het Mariënberg-Vechtkanaal. De belangrijkste lozingen vinden echter plaats op het Twentekanaal, waarvoor bij de aanleg van het kanaal zekere lozingsrechten zijn verkregen. In nauw verband hiermede staan de lozingen op het kanaal Almelo-Nordhorn, o.a. door het Banisgemaal te Almelo. Het kanaal Alrnelo-Nordhorn staat via het Overijssels kanaal in verbinding met het Twente-kanaal, waardoor de geloosde hoeveelheid mede bepalend is voor de totale afvoer op het Twentekanaal. Het waterschap de Regge heeft zich bij het provinciaal bestuur van Overijssel aangemeld als gegadigde voor het kanaal Almelo-Nordhorn, dat niet meer voor de scheepvaart wordt gebruikt. Echter zijn er meerdere gegadigden voor dit kanaal. O.a. is er een streven het kanaal te bestemmen voor recreatieve doeleinden. Naar het oordeel van het waterschapsbestuur zal dit niet ten koste mogen gaan van de belangen van het waterschap. Gezocht zal moeten worden naar een zekere harmonisatie van de verschillende belangen.

Foto: De belangrijkste lozingen van het waterschap de Regge hebben plaats op het Twentekanaal

Wat het Twentekanaal betreft streeft het waterschap ernaar de lozingen op het kanaal te vergroten. Daarbij geeft het waterschap zich rekenschap van het feit dat uitsluitend water van een redelijke kwaliteit op het kanaal mag worden afgevoerd.
De aanleg van nieuwe verkeerswegen in het waterschapsgebied, o.a. de E 8, de rijksweg Rw. 15 en de bandstadwegen zullen ook gevolgen hebben voor de waterhuishouding in het gebied. Enerzijds doordat bepaalde afvoerleidingen zullen worden afgesneden en anderzijds doordat verstoringen worden teweeggebracht in natuurlijke afwateringsmogelijkheden van sommige percelen, c.q. gebieden. Onderzocht zal moeten worden in hoeverre de aanleg van nieuwe wegen gecombineerd kan worden met de aanleg van nieuwe afvoerkanalen voor het overtollige water. Mogelijk kan op deze wijze een aanzienlijke kostenbesparing worden verkregen.

Bergingsvijvers
De vraag moet worden gesteld of het bij de toenemende behoefte aan drinkwater en aan water voor industriële doeleinden nog verantwoord is al het water uit ons gebied te blijven afvoeren en of niet moet worden overgegaan tot aanleg van spaarbekkens waarin het daarvoor geschikte water kan worden opgeslagen. Elders in Nederland vindt dit reeds thans plaats. Het opgespaarde water kan op verschillende wijzen (zuivering, infiltratie) geschikt gemaakt worden voor drinkwater en kan aldus een welkome aanvulling vormen op het nu reeds schaarse grondwater. Het is duidelijk dat het waterschap hiermede belangen dient, die verder gaan dan de eigenlijke waterschapstaak. In verband hiermede zal overleg met de instanties die belast zijn met de drinkwatervoorziening noodzakelijk zijn, niet alleen over de technische uitvoering maar ook ten aanzien van het kostenvraagstuk.
Hierbij moet het niet uitgesloten worden geacht dat de bergingsvijvers of spaarbekkens kunnen worden gegraven in het kader van de aanleg van nieuwe wegen. Hiervoor zullen grote hoeveelheden zand nodig zijn, die gewonnen zouden kunnen worden op plaatsen waar aanleg van bergingsvijvers uit een oogpunt van waterhuishouding aanbeveling verdient. In de toelichting op het streekplan Twente is gewezen op het ontstaan van plassen door zandafgraving. Volgens de opstellers van het streekplan kunnen deze plassen dienstbaar worden gemaakt aan de recreatie. Ook deze recreatieplassen kunnen een waterstaatkundige functie vervullen. Zij dienen dan zodanig te worden gesitueerd, dat waterafvoer op de plassen vanuit de waterschapsbeken mogelijk wordt. Door tijdelijke verhogingen van het waterpeil in de plassen toelaatbaar te maken zullen aanzienlijke bergingsmogelijkheden kunnen worden gecreëerd.
Over deze zaken zal tijdig overleg geboden zijn met alle hierbij betrokken instanties.

Foto: Ook op het kanaal Almelo-Nordhorn wordt geloosd

Milieubeheersing
Het is duidelijk dat de waterschappen hun werk niet meer in een soort van enge beslotenheid kunnen verrichten. Hoewel de waterschappen als doelcorporaties slechts een begrensde taak hebben treedt een beïnvloeding over en weer van en met de taken van andere instanties steeds sterker op de voorgrond. De waterschappen zullen in toenemende mate ook moeten opkomen voor andere dan agrarische belangen. Dit is een vanzelfsprekend uitvloeisel van de taken van het waterschap met betrekking tot de beheersing van het milieu. De aan de waterschappen opgedragen zorg voor de waterhuishouding moet worden gezien als één der grondpeilers van de milieuverzorging. Daarbij geven de maatschappelijke ontwikkeling, de voortschrijdende techniek en de snelle bevolkingsverdichting aan de taak van de waterschappen als het ware nieuwe dimensies.
Het waterschap de Regge heeft hiervoor een open oog en wil bij de uitoefening van zijn taak gaarne zoveel mogelijk samenspreken en samenwerken met anderen die het op zijn weg ontmoet.

Korte berichten
- Op 16.000 adressen in Zwolle werd een brief bezorgd, waarin de inwoners wordt gevraagd hoe zij over de kerk denken. Duizend vrijwilligers hebben zich bereid verklaard deze brief af te geven en over enkele dagen het antwoord op te halen. Zes protestantse kerken en het leger des Heils hopen op deze wijze een vrij volledige indruk te krijgen van de instelling van Zwolle ten opzichte van de kerk.
- Tot nu toe heeft de Technische Hogeschool Twente te Enschede 105 miljoen gulden gestoken in de gebouwen en 25 miljoen besteed aan de inrichting. Er zijn nu 620 mannelijke en 14 vrouwelijke studenten. De TH Twente heeft 620 personeelsleden in dienst, inclusief hoogleraren en andere stafleden.
- De textielfabriek H. P. Gelderman in Oldenzaal gaat het personeel met verscheidene tientallen mensen inkrimpen. Dit zal gebeuren door het laten afvloeien van mensen die veelal een groot aantal dienstjaren hebben, steeds loyale medewerkers zijn geweest, maar die gemiddeld per jaar 140 tot 150 dagen ziek zijn. Zij zullen worden aangewezen door de bedrijfsarts, in samenwerking met het gewestelijk arbeidsbureau. Voor de betrokkenen is een regeling getroffen die volgens de vakbonden uniek is. Zij zullen er financieel vrijwel niet op achteruit gaan en evenmin zullen zij werkloos worden. Een gedeelte van de weverij van de fabriek is namelijk aan hen afgestaan voor het verrichten van werk op grond van de Gemeentelijke sociale werkvoorzieningsregeling (G.S.W.).
- De Zwolse Veemarkt is de tweede van ons land. Vorig jaar werd een rekordaanvoer bereikt van ruim 325.000 dieren.
- De Nederlandse Heidemaatschappij is bezig met de aankoop van de gronden van "Het Hulsbekke" te Oldenzaal. De eigenaar van dit
grondgebied, de heer Breuning ten Cate is verleden jaar in Amerika, waar hij woonachtig was, overleden. "Het Hulsbekke" omvat plus minus 200 ha grond, waarvan ook de gemeente enkele ha in bezit heeft. Hierop liggen de karting- en de ponybaan. Het is de bedoeling dat de Heidemij ook de grond koopt die in het bezit van de gemeente is. Het gemeentebestuur van Oldenzaal had aanvankelijk wel belangstelling voor "Het Hulsbekke", maar het geld ontbreekt haar ten enenmale om ook maar een bod te kunnen doen. In het Streekplan Twente is "Het Hulsbekke" opgenomen als recreatiegebied.





zondag 2 maart 2014

De Mars, maandblad van en voor Overijssel (16): 1966

De Mars was een Overijssels maandblad dat tussen 1953 en 1981 verscheen en waaraan veel bekende journalisten/publicisten uit die tijd meewerkten. De Mars bevatte artikelen over regionale onderwerpen op cultureel, maatschappelijk, economisch en toeristisch terrein. De vaak lange(re) artikelen geven een goed tijdsbeeld. In deze rubriek vermeld ik per jaargang een aantal artikelen over onderwerpen of gebeurtenissen uit dat jaar. Dit keer jaargang 1966.

Welke thema’s speelden er in 1966, althans wanneer we De Mars als leidraad nemen? Geen complete opsomming, maar een aantal zaken die mij opvielen.

Foto: het dempen van de Dedemsvaart is in volle gang

Onderwerpen die in 1966 telkens terugkeerden in De Mars zijn het Streekplan Twente, waarin een Bandstad en een Stadsgewest Twente gepland worden (prognose: 1 miljoen Twentenaren in 2000), de compensatie maatregelen voor het gebied rond de Dedemsvaart voor de sluiting en gedeeltelijke demping van het kanaal, het sociaal-economische rapport Toekomst en taak van Noordwest-Overijssel en de vestiging van een medische faculteit in Overijssel, waarbij een felle strijd gevoerd werd tussen de mogelijke kandidaten Deventer, Enschede, Zwolle.

Bedrijfssluitingen in Deventer
Dat de jaren 60 achteraf bekend staan om de snel toenemende welvaart, wil niet zeggen dat er geen economische problemen waren. De instortende Twentse textielindustrie is er een voorbeeld van. Eind 1965, begin 1966 werd Deventer getroffen door massa-ontslagen. Textielfabriek Ankersmit (1100 medewerkers) deelde in de Twentse malaise en moest sluiten. Ook bij de meelfabriek Noury & Van der Lande en DAVO-Haardenfabriek werd stevig gehakt in het personeelsbestand. Kritiek wordt geleverd op het gebrek aan ‘vooroverleg’ voorafgaande aan de sluiting. Elders in Nederland is de vraag op de arbeidsmarkt zo groot, dat ontslagen werknemers gemakkelijk naar ander werk kunnen worden geleid. De klap in Deventer kwam totaal onverwacht en deed het aantal werklozen sterk toenemen.


Toekomst textielindustrie
Opvallend is een interview dat redacteur Jan van den Dungen had met de directies van twee grote textielconcerns (Nijverdal ten Cate en KNTU). Opvallend, omdat door de toenmalige leiding nogal positief werd gekeken naar de toekomst. Afgezien van het geklaag over stijgende overheidsuitgaven en lonen (ook toen al) is de stemming positief: textiel is geen verdwijnend product; door reorganisaties is de textielindustrie in Twente versterkt; de moderne kapitaalsintensieve Nederlandse textielindustrie produceert ondanks hoge lonen toch tegen lagere kostprijzen dan de ontwikkelingslanden; de toekomst is aan de joint ventures van Europese en Amerikaanse bedrijven met de industrie in de ontwikkelingslanden; tenslotte de gunstige ligging t.o.v. de Duitse markt.
Het zou anders lopen met de textiel, behalve voor Nijverdal ten Cate, dat tijdig overschakelde op andere producten.

Foto: oude gevels in Blokzijl met stadsomroeper

Het jaar van de WAO en de Mammoetwet
In 1966 werd de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering aangenomen. Geen typisch Overijssels onderwerp, maar De Mars besteedde er wel aandacht aan. De wet verving een aantal andere wetten, die nog uit de eerste decennia van de 20e eeuw dateerden, zoals de Invaliditeitswet en drie Ongevallenwetten. De wet had ook tot gevolg dat de capaciteit aan revalidatiecentra in Overijssel sterk opgeschroefd diende te worden, want terugkeer in het arbeidsproces hoorde onlosmakelijk bij de nieuwe wet. Een paar jaar later zou de WAO verworden tot een opvangnet van werklozen boven een bepaalde leeftijd.
In 1966 zijn er plannen voor een scholengemeenschap in Enschede-Zuid, waar vanaf 1968 zo’n 1500 tot 2000 leerlingen alle vormen van voortgezet onderwijs gaan vormen, een uitvloeisel van de al eerder aangenomen Mammoetwet en een voorbode van de latere leerfabrieken.

Foto: Hoogbouw in Enschede

Symposion Toekomst Twente
Veel aandacht ook in De Mars voor dit symposium dat in juni bij de THT gehouden werd en waaraan sociografen, economen en andere wetenschappers, regionalisten, journalisten en bijna iedereen die iets voorstelde in Twente deelnamen. Aanleiding om zich te bezinnen op de toekomst van Twente vormden de herstructurering van de textielindustrie, de vestiging van de Technische Hogeschool in Enschede en het gereedkomen van het Streekplan Twente. Ook speelden het streven naar een Stedenband Twente en naar meer autonomie voor Twente een rol. Het driedaags symposium, waar over negen thema’s gesproken werd, leverde een groot aantal ideeën op. Na afloop werd gepleit voor een regionaal centrum, waar wetenschappers zich zouden moeten richten op onderzoek en op een vervolg van het symposium in georganiseerd verband, waarbij alle Twentenaren moesten worden betrokken. Een mooi streven dat, hoe kan het anders, niet zou worden waargemaakt.

Foto: Enschede

Toerisme
De provinciale VVV geeft aan dat het aantal bezoekers aan de provincie vooral tegenvalt vanwege het ontbreken van ‘grote toeristische opvangcentra’. Toch worden allerlei initiatieven genomen om het toerisme te bevorderen:
- Hengelo heeft de primeur van de VVV-geschenkbon, die men bij een dertigtal winkeliers kan inwisselen
- Men kan een speciaal Twente-weekend boeken en wel op een nieuwe zeer moderne wijze: men belt de VVV, geeft op waar men wil logeren etc. en maakt het totaalbedrag over. Men ontvangt een coupon-boekje en betaalt met de coupons.

Foto: de nieuwe huisvesting van de VVV in Almelo

Boerenpartij
De Boerenpartij deed in 1966 voor het eerst mee aan de statenverkiezingen en zorgde voor een politieke aardverschuiving met het veroveren van vier zetels. Tot dan toe waren stemmers honkvast en waren er nauwelijks verschuivingen in zetelaantallen. Vanaf 1966 zou dat veranderen, een jaar later zorgde D’66 landelijk voor een sensatie.
Dat partijleider Koekoek niet altijd serieus werd genomen, bleek in Enter, waar zijn komst een volksfeest veroorzaakte. Niet omdat hij zo populair was. Het spreken werd hem belet door een jolige en rumoerige zaal. Hoogtepunt van het feest vormde het schouwspel van een geïrriteerde Koekoek, die een uur nodig had voor het verwijderen van verkiezingsposters waarmee zijn auto volledig was volgeplakt.

Verder:
- Her en der worden in Noordwest-Overijssel actiecomités opgericht tegen de samenvoeging van negen gemeenten tot de gemeente Beulake. Uiteindelijk zou het er in 1973 toch van komen, maar wel onder een andere naam: Brederwiede, dat in 2001 weer met Steenwijk werd samengevoegd tot Steenwijkerland.
- Een discussie tussen natuurliefhebbers en landbouwers over de wenselijkheid van ‘agrarisch-industriële’ verstoringen van het landschap ofwel ‘fabrieken-van-levend-vlees’.
- het wordt een bedroevende zaak genoemd dat men ’s nachts de grens tussen Oldenzaal en Nieuweschans overal gesloten vindt.
- Voor het eerst werd een algemene culturele prijs voor Overijssel, vernoemd naar Geert Groote uitgereikt. De Deventer architect W.P.C. Knuttel was de eerste die ermee onderscheiden werd.

Foto: Godfried Bomans werd door het soosbestuur van Studentensociëteit Cellebroederspoort te Kampen ingewijd tot 'magister honorarius'.





zondag 13 oktober 2013

De Mars, maandblad van en voor Overijssel (15)

De Mars was een Overijssels maandblad dat tussen 1953 en 1981 verscheen en waaraan veel bekende journalisten/publicisten uit die tijd meewerkten. De Mars bevatte artikelen over regionale onderwerpen op cultureel, maatschappelijk, economisch en toeristisch terrein. De vaak lange(re) artikelen geven een goed tijdsbeeld. In deze rubriek vermeld ik per jaargang een aantal artikelen over onderwerpen of gebeurtenissen uit dat jaar. Dit keer jaargang 1965.

Welke thema’s speelden er in 1965, althans wanneer we De Mars als leidraad nemen? Geen complete opsomming, maar een aantal zaken die mij opvielen.

Ergernissen in 1965


Geen geld meer, geen weg
Bovenstaande foto werd in 1965 geplaatst. Het ging goed met de economie maar de rijksbegroting stelde qua omvang nog niet veel voor. Als het geld op was, werd het werk stilgelegd. Het onderschrift bij de foto: ‘Zo eindigt de rondweg om Zwolle, richting Meppel. Geld op. Miljoenenproject, dat zo royaal begonnen was, gestaakt. Een (heel dure) afrit gemaakt naar een andere weg. En in de verte stroomt vredig de Vecht.

Ontsierende reclames
De Mars stelt ‘de minder nette, onesthetische mogelijkheden’ van reclame aan de kaak en laat als afschrikwekkend voorbeeld een aantal plekken zien ‘waar geen goed woord bij te zeggen valt’.
Op onderstaande foto een voorbeeld van gevelreclame aan de Enschedesetraat in Hengelo.


Belangrijke thema’s in 1965

Dedemsvaart
Het jaar begon met een belangrijk besluit voor Overijssel: op 7 januari stemde de Provinciale staten met 31 tegen 25 stemmen voor sluiting van de Dedemsvaart voor scheepvaart. Een lange discussie was er aan vooraf gegaan. Toen het besluit wereldkundig werd gemaakt ging op het gemeentehuis van Dedemsvaart de vlag halfstok en heerste er ‘verbittering’. Het plan om op korte termijn te beginnen met de aanleg van een nieuwe weg Balkbrug - Den Hulst – Lichtmis – Dedemsvaart maakte weer iets goed.

Bloeiende (maak)industrie
De textielindustrie vormde een uitzondering. Deze was al een paar jaar eerder in een neerwaartse spriraal terecht gekomen. In 1965 werd er al gefuseerd, maar er werkten dat jaar toch nog steeds 43.000 mensen in deze sector. De massa-ontslagen zouden nog een paar jaar op zich laten wachten. Met de overige industrie ging het uitstekend. In De Mars juichende verhalen over bedrijven als Scania Zwolle, BK Kampen, Wavin Hardenberg, Boekelo Plastic etc. Allemaal bedrijven die tegenwoordig met de term ‘maakindustrie’ zouden worden aangeduid. Vanaf de jaren zeventig zouden steeds minder mensen in de industrie gaan werken. De dienstensector was in opkomst. Nu kijkt men met enige weemoed terug op de tijd waarin productiebedrijven maar bleven groeien en bloeien.

Foto: Scania in Zwolle

‘Bedreiging van ons levensmilieu’
De Club van Rome was nog niet opgericht maar de term ‘milieuhygiëne’ dook al regelmatig op. Onder de titel ‘Bedreiging en (te weinig) beveiliging van ons levensmilieu’ verschenen twee lange artikelen in De Mars over de vervuiling van bodem, water en lucht. In 1965 werden door het rijk inspecteurs aangesteld maar deze hadden slechts een signalerende taak en konden niets anders doen dan gemeentelijke en provinciale besturen beleefd verzoeken aandacht te schenken aan de grootste excessen.

Foto: de vervuilde Dinkel bij textielfabriek Van Delden in Gronau

Muzikale Overijsselaars
In De Mars portretten van muzikale Overijsselaars, die landelijke bekendheid genoten. Hieronder enkele citaten uit de artikelen.

Gert Timmerman
‘Een artiest, die een bijzonder genre van de lichte muziek vertegenwoordigt en daarin een enorme populariteit geniet, is de Enschedese zanger Gert Timmerman. Onlangs heeft hij meegedaan aan het Nationale Songfestival, dat voor hem echter weinig succesvol was. Voor Gert dus geen reis naar Napels, maar ongetwijfeld wel een flinke stijging in zijn toch al ruime platenrecette. Gert Timmerman is de man van het levenslied of zo u wilt van de ‘smartlap’, een genre dat in deze tijd, vooral bij ouderen, erg in trek is. …. Tot begin ’63 was het met zijn populariteit eigenaardig gesteld. In ons land was hij aanvankelijk nauwelijks bekend, terwijl hij in Duitsland succes na succes oogstte. Doch daarin is de laatste twee jaar heel snel verandering gekomen.’


Henk Elsink
“Ik vind dat de meeste jongelui van deze tijd vergeten, dat cabaret primair amusement is. Het is tegenwoordig mode om te shockeren. Daar ben ik het helemaal niet mee eens en ik wens er niet aan mee te doen.” ‘Deze mening over het huidige Nederlandse cabaret komt uit de mond van de 29-jarige, in Enschede geboren cabaretier Henk Elsink. Een jongen, die het op geen school uithield en op zijn twaalfde al liedjes schreef en ‘rotzooide’ op de piano bij schoolfeestjes….. Henk Elsink heeft zijn eigen radiocabaret Vrij Entrée (VARA) en treedt bovendien in het land op met een programma van vijf kwartier. De jongensachtige Elsink zit vol toekomstplannen. Over anderhalf jaar hoopt hij zijn eigen cabaret in de Warmoesstraat in Amsterdam te openen.’


Harry Bannink
‘Harry werkt veel voor de radio; in Elsinks Vrij Entrée is hij zijn vaste begeleider. Velen weten niet dat hij avond aan avond Wim Sonneveld begeleidt. “Het is bijzonder fijn werken met Sonneveld. Hij is een groot vakman”. Harry Bannink is bescheiden en dat maakt hem sympathiek. Frater Venantius, het grote succesnummer van Wim Sonneveld, is ontsproten aan het muzikale brein van Harry Bannink….. Hij is al enkele jaren bezig aan een musical die ‘Heerlijk duurt het langst’ gaat heten en waarvoor Annie M.G. Schmidt de tekst schrijft. Op 1 oktober gaat hij in het De la Mar Theater in Amsterdam in première.’


Mieke Telkamp
‘Omdat haar stemtype met dat van de zeer populaire Vera Lynn overeenkwam werd Mieke Telkamp al gauw de Nederlandse Vera Lynn. “Maar ik zong ook een vrij omvangrijk Duits repertoire, dat me erg goed lag”….. Toen ze, na vier jaar in Duitsland gewerkt te hebben, in haar vaderland terugkeerde, ging alles vanzelf. “Ik had zo’n 300 voorstellingen per jaar”. Haar vele platen haalden een gemiddelde verkoop van 50 duizend. Wie kent ze niet, wereldsuccessen als The Golden Circle Song, Sleigh-ride in Alaska, Prego-Prego en vele anderen.’


Buitenlanders
Aan ‘buitenlanders’ zoals ze toen nog gewoon genoemd werden zijn in 1965 twee lange artikelen gewijd. Naast de cijfers komen ter sprake: een terugblik op de Spaghetti-rellen in Oldenzaal, de animositeit tussen ‘eigen en vreemde arbeiders’, de ‘lacunes in de (maatschappelijke) zorg voor de buitenlanders’, de economische gevolgen en ook wordt de vraag opgeworpen of zij ooit nog weer naar huis zullen terugkeren. De verwachting is dat dit niet gebeurt: zij raken gewend aan ons welvaartspeil en willen dat behouden. Bovendien zijn in het verleden nog vrijwel nooit immigranten naar hun land van herkomst teruggekeerd. Wat de cijfers betreft: Turken vormden in 1965 met 472 de kleinste groep in Twente. Er waren in dat jaar 1564 Spanjaarden en 1093 Italianen in de Twentse industrie werkzaam.


Ruilverkaveling versus recreatie en de voorspellingen van minister Cals
De ruilverkavelingsmachine draait op volle toeren. In Overijssel zijn in 1965 ruilverkavelingsplannen voor een gebied van 50.000 hectare in uitvoering. Er wordt 24 miljoen gulden geïnvesteerd. De boeren zijn tevreden. Meestal gaat meer dan 90% van de belanghebbenden akkoord met de plannen. De voordelen zijn legio: betere bereikbaarheid, betere afwatering, geen versnippering meer. Tegenstanders zijn er ook. Ze zijn te vinden onder de niet-agrariërs en zij schrijven ingezonden brieven in de kranten over het verdwijnen van het landschapsschoon en van bijzondere flora en fauna. Eén van de criticasters is minister Cals, die in hetzelfde jaar nog premier zou worden: ‘Wij gaan bij het maken van onze plannen te veel uit van de situatie van thans, eigenlijk van gisteren. Op landbouwgebied liggen plannen van tientallen miljoenen klaar om volgens de wet der traagheid te worden uitgevoerd. Terwijl daar straks geen behoefte meer aan is. In het jaar 2000 zal het percentage landbouwers aanzienlijk kleiner zijn en heeft men veel meer ruimte nodig voor recreatie. Toch gaat men rustig door met ruilverkaveling. ’t Is niet te doorbreken’. Tot zover de minister die een voorspellende gave bleek te hebben.

Foto: De nieuwe Openbare Leeszaal en Bibliotheek te Deventer

Bibliotheken
Hans Wiersma schrijft: ‘Ondanks de slag-om-de-vrije-tijd met sport en televisie kan men met vreugde constateren, dat in Overijssel de belangstelling voor het boek – de ‘stille, culturele recreatie’ – stijgende is. De ontwikkeling van het bibliotheekwerk in onze provincie toont het aan.
De plattelands-lectuurvoorziening laat een opbloei zien, waar men van heinde en ver, uit binnen- en buitenland naar komt kijken. Doch ook in de sfeer van de ‘stadse’ lectuurvoorziening gebeuren verheugende dingen’.

zondag 28 juli 2013

De Mars, maandblad van en voor Overijssel (14)

De Mars was een Overijssels maandblad dat tussen 1953 en 1981 verscheen en waaraan veel bekende journalisten/publicisten uit die tijd meewerkten. De Mars bevatte artikelen over regionale onderwerpen op cultureel, maatschappelijk, economisch en toeristisch terrein. De vaak lange(re) artikelen geven een goed tijdsbeeld. In deze rubriek vermeld ik per jaargang een aantal artikelen over onderwerpen of gebeurtenissen uit dat jaar. Dit keer jaargang 1964.

Welke thema’s speelden er in 1964, althans wanneer we De Mars als leidraad nemen? Geen complete opsomming, maar een aantal zaken die mij opvielen.


Foto: De watermolen in Oele in 1964. De molen (eigendom Twickel) moet worden gerestaureerd, mogelijk wordt er een theehuis van gemaakt. Dat laatste zal - blijkt later - niet gebeuren. De gemeente Hengelo werd in 1971 eigenaar en maakte de watermolen weer maalvaardig. Een grondige restauratie volgde in 2000/2001. Sinds 2003 is de Euler watermolen weer eigendom van Landgoed Twickel.

Ergernissen in 1964

Woonwagenkampen
Ze vormen al jaren een steen des aanstoots. De gemeente Zwolle b.v. heeft wel geprobeerd om aan het woonwagenkamp bij Frankhuis verbeteringen in de outillage aan te brengen. Maar ‘deze worden prompt door bewoners van het kamp misbruikt’. Het blijft een deprimerende bende, waarbij ook bemoeienis van gemeenten en provincie geen soelaas biedt.


Autokerkhoven
Een tweede ontsiering in de provincie ‘met de op twee na meeste natuurschoon’ wordt gevormd door de tientallen autokerkhoven, die als paddenstoelen uit de grond blijven schieten. Meestal liggen ze aan de openbare weg waar ook het autorijdend volk te vinden is. De redactie heeft begrip voor de commerciële belangen maar laat aan de hand van een fotocollage zien hoe het landschap steeds meer ontsierd wordt.


Zandafgravingen
Een ander ontsierend welvaartsverschijnsel vormen de zandafgravingen. De woning- en wegenbouw vragen veel zand, liefst zo dicht mogelijk in de buurt afgegraven. Zo ontstaan er overal gaten in het landschap. Vrachtwagens moeten een zo kort mogelijke weg afleggen, daarvoor verdwijnen prachtige houtwallen. Wanneer het werk gedaan is wordt de zandafgraving subiet verlaten en is er geen ‘nazorg’. Wat overblijft is een ‘armzalige, onafgewerkte troep’.


Belangrijke thema’s in 1964

Vervuild water
Twentse beken rond de steden waren in de loop der tijd veranderd in stinkende drabstromen, waarin biologisch leven niet meer mogelijk was. Oudere Bornenaren zoals ik kenden b.v. de beek die langs Borne liep niet anders dan de Bornse Stinkbeek. Waterzuivering geschiedde mondjesmaat door gemeenten. In de jaren zestig veranderde dit. Zo kreeg het waterschap De Regge – als derde waterschap in ons land – een waterzuiverende taak. In 1964 werden plannen gemaakt voor een concentratie van waterzuivering tussen Borne en Hengelo. Ook zullen er zuiveringsinstallaties komen in Vriezenveen, Tubbergen en Almelo.
In deze jaargang meerdere artikelen over de open riolen waartoe o.m. Vecht en Dinkel verworden zijn. De textielfabrieken in Gronau en Epe zijn de schuldigen wat betreft de Dinkel. In de Gronause raad wordt besloten dat er een zuiveringsinstallatie moet komen. Door de Vecht sluipt ‘de zwarte stinkende dood’. Er is massale vissterfte door aardappelmeelfabriek-water en Duits verfwater.

Het gaswonder
Leven wij nu ten tijde van de (letterlijk) laatste stuiptrekkingen van de gasvoorraad, in 1964 was er bekend dat er 1100 miljard kuub gas in de Groningse bodem zat, maar het kon ook nog wel veel meer zijn, en onder de Noordzee zat ook nog gas. Het aantal meters gasleiding (90 cm doorsnee) dat per dag in de grond werd gegraven werd telkens opgeschroefd. Franse lassers verdienden 8.000 gulden per maand. Zo snel mogelijk moest elk Nederlands huishouden op gas koken. De overheid en de politiek konden het niet bijbenen en braken zich het hoofd hoe alles qua organisatie in goede banen moest worden geleid…


Woningbouw
Het belangrijkste thema in de jaargang 1964 was woningbouw in allerlei facetten. Eén voorbeeld uit de vele artikelen:
Ratiobouw. Alles was erop gericht om zo snel mogelijk zoveel mogelijk woningen te bouwen. In Deventer ontdekt men het rationeel bouwen. Het had niets te maken met materialen maar met planning en herhaling. Planning in de zin van optimale benutting van de beschikbare tijd, niet stap voor stap een wijk bouwen maar op verschillende plekken tegelijk zodat alle bouwvakkers tegelijk aan het werk waren. Bouwplannen en ontwerpen van woningen werden telkens hergebruikt. Door de typen woningen steeds in een andere volgorde te plaatsen leken de wijken niet op elkaar. Als beloning voor de aanzienlijke besparing van de bouwtijd kreeg Deventer een extra contingent woningen van de minister toegewezen.

Bomenkap
Boeren in het gebied Beneden-Dinkel waren verwoed aan het kappen geslagen, honderden volwassen eiken legden het loodje. Het had te maken met de op tilt zijnde ruilverkaveling, met verrekeningen en te lage opbrengsten na grondruil. En het had vooral ook te maken met het ontbreken van een kapverordening in de gemeente Denekamp. In grote haast was een loonwerker in opdracht van steeds meer boeren – het werkte aanstekelijk - aan de slag gegaan de bomen te rooien. De stobben liet hij gewoon staan, omzagen was voldoende, ze konden toch niet teruggeplaatst worden. Een flink stuk Twents coulissenlandschap werd tot droefenis van de lokale VVV’s veranderd in kaalslag. Het werd een rel die voerde tot in de Provinciale Staten en de Tweede Kamer, maar zoals gezegd er was niets meer aan te doen.


En verder ...

Literatuurprijs
Voor de eerste keer werd in Overijssel een literatuurprijs toegewezen voor beginnende auteurs. De jury kon kiezen uit 43 inzendingen. Winnaar van de poëzieprijs werd de Deventer microbiologe H.M.C. Put met de bundel Klein Mozaïek. Archivaris W.A. Fasel te Kampen won de proza-prijs. Anton Fasel schreef toevalligerwijs ook elke maand een column in De Mars. Er was slechts één deelnemer die zijn inspiratie in het streekeigene zocht: de Deventernaar A.K.H.M. Seemann, die voor Sallandse Vertelsels een eervolle vermelding ontving. Als Broos Seemann zou hij later nog veel meer Sallands werk publiceren.

Portret van Willem Brakman
Brakman had in 1964 nog maar vier romans gepubliceerd – voor sommige schrijvers al heel wat, maar Brakman zou 90% van zijn oeuvre na dit jaar schrijven – maar toch komt hij in dit portret al naar voren als een belangrijk schrijver. De geboren Hagenees, afkomstig uit een Zeeuws geslacht, had in 1957 zijn huisartsbestaan in een Haagse nieuwbouwwijk verruild voor de ‘rustige’ baan als bedrijfsarts bij een 13-tal textielfabrieken in Enschede. Hier schreef hij avond aan avond zijn schoolschriften vol op de zolderkamer van zijn huis aan de singel.
De schrijver van vooral autobiografisch werk wordt door de auteur van het portret C.L. Menschaar met enkele volzinnen geschilderd: ‘In zijn gesprekken met vrienden en bekenden kan hij zich weliswaar ontpoppen als een boeiend, bedachtzaam formulerend causeur, die zichtbaar behagen schept in zijn eigen barokke fantasieën en woordspelingen; maar de meeste gesprekken lopen onvermijdelijk uit op een monoloog. In ‘De opstandeling’ zegt de hoofdpersoon, de arts Willem Stein, dan ook dat hij nog nooit echt naar iemand heeft geluisterd …. hij was ook te zeer geboeid door zichzelf om nog veel aandacht voor anderen over te hebben. Eigenlijk liet hij geen ander tot zich zichzelf toe, maar hij wilde ook niet alleen zijn….een soort cafégedruis, dat was de rol die hij een ander toebedeelde, toekende, een behaaglijk geroezemoes om zichzelf te kunnen zijn.’


Bibliotheken
De Centrale Plattelandsbibliotheek van Overijssel (voorganger van Rijnbrink Groep) had een jaarverslag laten verschijnen dat voor het eerst verlucht was met vele foto’s. De groei was weer buitengewoon. ‘Sprekender bewijzen zijn daarvoor het feit dat deze bibliotheek een (inter)nationaal visitekaartje is geworden, en dat er Excellent bezoek komt. Waar vindt u zoiets in Nederland? Nergens.’, aldus De Mars.

zondag 3 maart 2013

De Mars, maandblad van en voor Overijssel (13)

De Mars was een Overijssels maandblad dat tussen 1953 en 1981 verscheen en waaraan bijna alle bekende journalisten/publicisten uit die tijd meewerkten. De Mars bevatte artikelen over regionale onderwerpen op cultureel, maatschappelijk, economisch en toeristisch terrein. De vaak lange(re) artikelen geven een goed tijdsbeeld. In deze rubriek vermeld ik per jaargang een aantal artikelen over onderwerpen of gebeurtenissen uit dat jaar. Dit keer jaargang 1963.

Welke thema’s speelden er in 1963, althans wanneer we De Mars als leidraad nemen? Geen complete opsomming, maar een aantal zaken die mij opvielen.



Foto: skieën op de Holterberg

Werkgelegenheid
Rond 1963 had in Overijssel 1,5% van de bevolking geen werk. Je spreekt dan niet van werkloosheid maar van arbeidsreserve, want 100% afstemming van vraag en aanbod komt vrijwel niet voor. De nijverheid trok 50% van de beroepsbevolking, de landbouw 17% en de dienstensector 33%. Men constateert dat de dienstensector ‘achterblijft’ bij het landelijk gemiddelde en dat de industriële werkgelegenheid zal blijven groeien mits er voldoende ‘aanvoer’ van buitenlanders is.

Sociale werkplaatsen
Werden deze aanvankelijk alleen opgericht voor verstandelijk gehandicapten, in de loop van de jaren 50 werden er ook lichamelijk gehandicapten geplaatst. In 1961 bedroegen de kosten van deze voorziening in Overijssel 9 miljoen, de baten waren 1,75 miljoen. Hoewel tal van maatregelen moeten leiden tot een betere balans tussen kosten en baten, wordt er gepleit voor uitbreiding van het aantal arbeidsplekken ‘ter wille van de velen, die in de arbeid bij de werkplaatsen een nieuwe levensvulling hebben gevonden en daardoor met meer genoegen dan voorheen de toekomst tegemoet kunnen zien’. Tijden veranderen….



Foto: producten uit de sociale werkplaats 1963

Nijverdal ten Cate
Nijverdal ten Cate bouwt in 1963 de modernste weverij van Europa in een tijd van overcapaciteit in de textiel. 180 Zwitserse Sulzermachines gaan zwaardere weefsels produceren waarmee nieuwe producten worden gemaakt. Het lijkt erop dat het bedrijf toen al de goede weg is ingeslagen, want als een der zeer weinige bedrijven uit 1963 bestaat het nog steeds, al maken al lang geen textiel meer.



Foto: moderne vakantiehuisjes in Hellendoorn

Bibliotheken
In 1963 werden 9 nieuwe bibliotheken geopend in Overijssel. Het lijkt of er een cyclus is van 50 jaar. Hoeveel bibliotheken of filialen zouden er dit jaar gesloten worden?

Bibliotheek Almelo
Trok de opening van de nieuwe bibliotheek in Almelo in 1994 nationaal en internationaal de aandacht, dertig jaar eerder was precies hetzelfde het geval. In 1963 werden de plannen ontworpen voor een ‘hypermoderne’ bibliotheek, de eerste echte ‘uitleenbibliotheek’. De bibliotheek zal gaan beschikken over een parkeerplaats voor auto’s, ook één voor kinderwagens (overdekt), een zaaltje voor lezingen, een expositieruimte, een leesterras, een vertelhol voor de kleintjes en de jeugd- en volwassenafdeling zullen met elkaar in ruimtelijk contact staan, zodat er geen ‘drempelvrees meer zal bestaan bij de rijpere jeugd om het heiligdom van de volwassenen te betreden’.

Bedrijvigheid
In deze jaargang lange reportages over de tuinbouw en de scheeps- en jachtbouw in Overijssel. Ook veel bedrijfsreportages. Behalve over de al genoemde Nijverdal ten Cate ook over Koninklijke Zout-Ketjen (Hengelo), M. en R. Laboratoria (Zwolle), Hevea Raalte, Noury & Van der Lande (Deventer), Philips (Zwolle en Almelo).



Foto: motorraces Tubbergen

RONO
De regionale omroep voor Noord- en Oost-Nederland verkeert in de problemen. Niet in financiële, maar de populariteit van de oostelijke programma’s neemt af ten faveure van het Drentse programma. Luisteraars uit Twente en de Achterhoek luisteren lieven naar Drenthe dan naar Oost. Algemeen erkend wordt dat het Oosten, in tegenstelling tot Drenthe, geen eenheid vormt. Over de te volgen koers zijn de meningen verdeeld. Journalist Hans Wiersma ziet de oplossing in betere en meer attractieve programma’s die niet speciaal een regionalistisch karakter hoeven te dragen, terwijl regionalist Johan Buursink pleit voor b.v. typisch Twentse uitzendingen voor de Tukkers.

Zwembaden
Er is een ware zwembaden-hausse op gang gekomen. Elk dorp eist een eigen zwembad en als dat er niet snel genoeg komt wordt er actie gevoerd, zoals in Nieuwleusen (zie foto hieronder).